Als groep hebben provincies al jaren een hoge solvabiliteit, grotendeels een gevolg van de verkoop van nutsbedrijven Essent en Nuon in 2009. De solvabiliteit van alle provincies samen neemt de laatste jaren licht af, van 79 procent in 2020 naar 70 procent in 2024. In 2024 boekten de provincies gezamenlijk een overschot van €1,1 miljard. Dit is een forse stijging in vergelijking met voorgaande jaren. Van dit overschot is €414 miljoen afkomstig van Gelderland en Noord-Brabant. Daarnaast ontving Zeeland in 2024 een hoge dividenduitkering.

Inkomsten

De totale inkomsten van provincies bedroegen €8,3 miljard. in 2024, dit is bijna €1,5 miljard. hoger dan in 2023. Dit komt vooral door de stijging van het provinciefonds met zo’n € 800 miljoen. Naast een stijging van de algemene uitkering stegen ook de inkomsten uit decentralisatie-uitkeringen. Het aantal decentralisatie-uitkeringen steeg van 24 in 2023 naar 41 in 2024. Omvangrijke decentralisatie-uitkeringen waren onder meer voor openbaar vervoer (€245 miljoen), indirecte uitvoeringskosten Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) (€49 miljoen) en de spreidingswet (€12,7 miljoen). Baten uit geldleningen en uitzettingen stegen met € 37 miljoen. Deelnemingen waren goed voor € 165 miljoen meer aan inkomsten. Provincies verantwoordden in 2024 voor € 686 miljoen aan inkomsten uit specifieke uitkeringen.

Vanuit het Rijk is in 2024 voor € 2,7 miljard aan specifieke uitkeringen aan provincies verstrekt (in totaal, dus inclusief gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, verstrekte het Rijk €21,3 miljard aan specifieke uitkeringen aan decentrale overheden). Het verschil tussen de verstrekte € 2,7 miljard en de verantwoorde € 686 mln. komt door het verschil in boekhoudstelsel. Het Rijk hanteert een kasstelsel en neemt de last van een specifieke uitkering als het geld is overgemaakt. Provincies hanteren een stelsel van baten en lasten en nemen de baat van een specifieke uitkering als de prestatie is geleverd. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs in hetzelfde jaar te vallen als het jaar waarin wordt verstrekt.

Uitgaven

De bruto lasten stegen met € 726 miljoen. Dat lasten niet zo hard stegen als de baten, verklaart het genoemde overschot van € 1,1 miljard. De netto lasten van provincies stegen in 2024 met € 318 miljoen of 6 procent, in lijn met de afgelopen jaren. In 2023 stegen de netto lasten met 3,7 procent en in 2022 stegen ze met 8,5 procent. Bij de netto lasten per hoofdtaakveld zijn de lasten gesaldeerd met de baten die op dit taakveld worden geboekt. Verkeer en vervoer is het hoofdtaakveld met de hoogste netto lasten (lastenstijging € 231 miljoen of 12 procent), gevolgd door respectievelijk Overhead (lastenstijging €48 miljoen of 7 procent) en Natuur (gelijk gebleven). De hoofdtaakveleden Cultuur en maatschappij en ruimte stijgen relatief het meeste, 13 procent en 15 procent. De nettolasten op het hoofdtaakveld water laten een forse daling zien in 2024 van € 40 miljoen of 31 procent.

Zie ook