Paulus Jansen, wethouder

Paulus Jansen is ruim veertig jaar in de SP actief, op dit moment als wethouder in Utrecht. Hij trekt er veel op uit om overal zijn gezicht te laten zien. Want hoe beter de mensen hem kennen, hoe beter hij zijn werk kan doen.

Paul Jansen, wethouder in Utrecht

Paulus Jansen

Hoe werd u politiek actief?

“Ik studeerde Bouwkunde op de TU in Eindhoven en vond het leuk om via het vak iets concreets te doen voor bewoners. Zo kwam ik terecht bij de Wetenschapswinkel, waar ik mij als techneut bezighield met geluidsoverlast, binnenklimaat, renovatie, woonlasten en gasprijzen. We gingen met meetapparatuur op pad naar buurten in het hele land. Via deze klussen leerde ik enkele SP’ers kennen. Zodra je twee keer samen iets leuks doet, hoor je erbij.

Bij de SP herkende ik de nestgeur. We hadden allemaal weinig op met grote woorden, maar wilden iets doen. We waren een rode familie, die ook behoorlijk veel tijd in de kroeg doorbracht.

We wilden de huisvesting van gewone mensen verbeteren, die niet de centen hadden om daar vakmensen voor in te schakelen. Ook wilden we de onderkant van de samenleving een betere positie geven. We zetten ons af tegen de paternalistische cultuur in Brabant. Daarmee paste de SP goed in de tijdgeest.”

Wat is uw drijfveer als politicus?

“Ik wil de wereld beter maken. Als je ergens een grote mond over hebt, heb je ook de morele plicht om er iets aan te doen. Ik heb een managementfunctie bekleed bij een ingenieursbureau, maar daar kreeg ik het gevoel: is dit alles? De poen, daar ging het me helemaal niet om.

Politieke spelletjes, daar word ik wel uitermate droevig van. Sommige collega’s zijn bereid om alles te doen om de verkiezingen te winnen, zonder enig oog wat dat eigenlijk voor de inhoud betekent.

Als dat te veel om me heen gebeurt, dan krijg ik het zwaar. In Utrecht gaan we gelukkig in het college goed met elkaar om. Maar als je zelf uithaalt naar iemand anders, moet je er tegen kunnen dat je dan ook een peer terugkrijgt.”

Wat vraagt het van u om dit werk te doen?

“Je moet in ieder geval geen moeite hebben om veel uren te maken. Als wethouder draai ik 70 tot 80 uur in de week. Als je het goed naar je zin hebt, is dat geen enkel probleem. En voor mij is dit ook een betaalde baan.

Het ligt wel anders voor de vele vrijwilligers in onze partij. Als lid van de SP werd je in de begintijd geacht om drie keer per week actief te zijn. Maar voor bepaalde groepen kan dit toch een behoorlijke belasting vormen, zoals mensen die in de bouw werken, ver moeten reizen en ’s avonds afgepeigerd thuiskomen.”

Hoe gaat u zelf om met de drukte?

“Het is de kunst om er ontspannen onder te blijven. Ook je partner moet accepteren dat je hier veel tijd in steekt. Toen onze kinderen nog jong waren, heb ik geen grote projecten opgepakt. Wel deed ik zaken die ik thuis kon doen, zoals de eerste ledenadministratie van onze partij opzetten.

In 2000 was ik Statenlid, maar ook lijsttrekker bij de raadsverkiezingen in Utrecht. Daarnaast was ik ook fulltime fractiemedewerker van Kamerlid Remi Poppe. Als je dubbelfuncties vervult, is het extra belangrijk dat je scherpe keuzes maakt. Je moet zelf heel goed weten wanneer je je grens bereikt hebt.”

U heeft ook vaak in de oppositie gezeten. Hoe ging u te werk om iets voor elkaar te krijgen?

“Je moet investeren in ongebruikelijke bondgenoten en nooit op de man spelen. Samen met VVD-Kamerlid René Leegte heb ik bijvoorbeeld de steun van de Kamer gekregen voor een motie voor variabele energieprijzen. Daarmee zou de stroomprijs ieder kwartier variëren, waardoor slimme apparaten aan gaan als de stroomprijs laag is. Als we deze techniek in de toekomst grootschalig toepassen, hebben we veel minder netcapaciteit nodig.

In de gemeenteraad van Utrecht kon ik een meerderheid organiseren tegen de verkoop van energiemaatschappij Remu. Met goede argumenten kun je toch heel ver komen, heb ik vaak gemerkt.

Als je geen meerderheid hebt, helpt het als je zelf met ideeën komt. Voor veel volksvertegenwoordigers is dat lastig, want zij zien vooral scherp wat er allemaal niet deugt. Maar als je zelf aangeeft hoe het beter kan, kun je daarmee het debat een andere wending geven.”

Kunt u een voorbeeld geven van enkele concrete resultaten die u geboekt heeft?

“In Utrecht is het aantal sociale huurwoningen in de vorige collegeperiode met 3000 gedaald, in deze periode gaat dat stijgen met 1800 woningen. Minder dan ik wenselijk vind, maar wel een trendbreuk. We hadden met 6 procent de hoogste huurstijging van Nederland. Die stijging is nu gelijk aan de hoogte van de inflatie. Het is ons gelukt om overal het duurzaamheidslabel B te krijgen. Huurders hebben een goede positie aan tafel gekregen. En we hebben goede verhoudingen met de corporaties.

Je moet eerst lang zaaien voordat je concrete resultaten ziet. Je moet er een hobby van maken om het lang vol te houden, vaak tegen de stroom in. Op een zeker moment komt het wel goed.  Ik was in 1995 al bezig met de fietsbrug in Utrecht. Net voor de komst van de Tour de France in 2015 werd die brug eindelijk geopend.”

Hoe onderhoudt u contacten?

“In Utrecht hebben we Collegetour op touw gezet, waarbij we met het hele college van B en W de grootste 100 bedrijven van Utrecht bezoeken. We komen niet op bezoek omdat er iets aan de hand is, maar om te horen wat er speelt en wat ze van de gemeente vinden. Ik kom daar vaak op ideeën wat we voor elkaar kunnen doen. Dit netwerk moet je voortdurend onderhouden.

We gaan nu hard aan de bak om ruim driehonderd sportverenigingen te bezoeken, want ik heb ook sport in mijn portefeuille. Dat is een investering in onderlinge relaties, zodat ze me even bellen als er iets aan de hand is. Deze verenigingen hebben een netwerk met veel deskundigheid en organisatietalent en brengen allerlei groepen mensen bij elkaar. Dat maakt sport interessant voor een SP-wethouder, want deze verenigingen zijn echt bottom up georganiseerd.

SP’ers hebben helaas niet de neiging om naar raadsvergaderingen of andere politieke bijeenkomsten te komen. Ook bij verkiezingen hebben we vaak een lage opkomst van onze leden. In Overvecht is de SP de grootste partij, maar het is ook de wijk met de laagste opkomst van Utrecht. Ze zouden dus veel meer mensen in de raad kunnen hebben die hen vertegenwoordigen.

Ik confronteer de mensen graag met die dubbele moraal. Als je kritiek hebt op de politiek moet je op zijn minst je stem uitbrengen.”

Hoe gaat u om met protesten van inwoners?

“We willen geen polders meer volbouwen, maar nieuwe huizen in de stad neerzetten. Daar is bijna nooit iemand enthousiast over. Die tegenstand kan best onaangenaam zijn. De toon is soms volstrekt over de top, waarbij ook mijn integriteit in twijfel wordt getrokken. Hoogopgeleide mensen hebben er bijvoorbeeld moeite mee dat in hun buurt sociale huurwoningen komen. Ik heb de neiging dat gewoon te benoemen. ‘Ik ben niet alleen de wethouder van insiders, maar ook van outsiders’, zeg ik dan.

Soms kom ik in een volkswijk waar de messen al geslepen zijn. Daar heb ik wel lol in. Als je de mensen kent, weet je wel hoe je hun gedrag moet wegen. Het protest versterkt het wij-gevoel. Het is: wij samen tegen de gemeente. Ze voelen zich in het nauw gedreven door buitenstaanders. Dat knaagt aan hun zelfvertrouwen. Ik kan wel waarderen dat ze voor zichzelf opkomen. Een scheldwoord als leugenaar accepteer ik op zo’n bijeenkomst wel, al kunnen ze natuurlijk ook te ver gaan.”

Wat is uw belangrijkste advies aan nieuwe politici?

“Je moet eerst maatschappelijke ervaring opdoen, voordat je je kandidaat stelt als raadslid. Dat is mijn les van ruim veertig jaar meedraaien in de SP. Draai bijvoorbeeld eerst mee in de vakbond en doe daar het edele handwerk. Dat geeft je een goede basis om echt vanuit de samenleving te opereren.

Je leert daarbij goed om te gaan met mensen. Want goede relaties, daar draait het om. Als mensen roepen dat je een vervelende vent bent, komt dat omdat ze je niet kennen. Naar mate de afstand groter is, is het gemakkelijker om te mopperen. Je moet daarom zichtbaar zijn in de stad en er veel op uit trekken.

Als mensen via het Stadhuis contact opnemen, lopen ze gemakkelijk ergens in de organisatie met hun hoofd tegen de muur. Ik deel altijd kaartjes uit met mijn mobiele nummer. Ze gaan me heus niet om drie uur ’s nachts wakker maken, dus daar ben ik niet bang voor. Eerder merk ik dat ze me te weinig bellen, omdat ze denken dat ik het te druk heb. Bel mij gewoon, zeg ik dan.”