Jeroen Olthof, wethouder

Wijkteams hebben meer slagkracht nodig om kwetsbare huishoudens goed en snel te kunnen ondersteunen. Dat blijkt uit een analyse onder 100 wijkteamcasussen in vijf steden. “Professionals in de wijk moeten het mandaat hebben dat ze zelf beslissingen mogen nemen. En zich daartoe veilig voelen”, aldus wethouder Jeroen Olthof van Zaanstad.

Jeroen Olthof

Op de conferentie Inclusieve Stad mocht wethouder Olthof de publicatie ‘Doen wat nodig is’ overhandigen aan het Rijk, in de personen van staatssecretarissen Martin van Rijn (VWS) en Jetta Klijnsma (SZW) en directeur-generaal Gert-Jan Buitendijk (BZK). Daarin staat de analyse van de casussen beschreven en de experimenten die de City Deal Inclusieve Stad wil gaan uitvoeren in wijken in de vijf steden.

Wet- en regelgeving als obstakels

Botsende uitgangspunten van verschillende wet- en (gemeentelijke) regelgeving en de bijbehorende regeldruk zijn nog te vaak een obstakel voor wijkteamprofessionals om maatwerk te bieden aan kwetsbare inwoners. Sociaal werkers uit wijkteams kunnen beter worden toegerust. “Het belangrijkste uitgangspunt is dat onze inwoners de zorg krijgen die ze nodig hebben”, licht wethouder Olthof toe. “De vraag van de inwoner moet leidend zijn, niet het systeem. Het gaat erom wat onze bijdrage is aan de juiste zorg. Met de andere steden samen zoeken we nu uit wat de intenties van deze hele nieuwe manier van werken zijn om de verschillende vraagstukken in de zorg aan te pakken.”

Zaanstad is een van de voorlopers met deze nieuwe aanpak. Wat doen jullie precies in Zaanstad?

Olthof: “We hebben een tijdje geleden een rapport opgesteld, genaamd Hemelse Modder, naar aanleiding van een onderzoek dat we hebben gedaan naar wat mensen nou het meest zou helpen. Dat hebben we naast het oude systeem gelegd. Wat bleek:  wat mensen het meest nodig hebben kan het oude systeem niet bieden. Dit is voor ons de basis geweest om te zoeken naar nieuwe manieren. Wij hebben het al heel snel opgepikt om die vrijheid op wijkniveau centraal te stellen. Het mandaat van de wijkprofessionals in Zaanstad is nu veel meer opgezet vanuit de vraag van de bewoners. Als de wijkteams bepaalde budgetten nodig hebben kunnen ze dat vanuit deze maatwerkmethode oppakken en kunnen ze snel mensen op weg helpen.”

Hoe ver zijn jullie in Zaanstad met deze nieuwe manier van werken? Is dat nog een verkenningsfase of is het al praktijk?

“Het blijft natuurlijk een continue zoektocht, maar we kunnen wel stellen dat we de verkenning voorbij zijn. Voor wanneer onze wijkteams tegen bepaalde regels aanlopen hebben we een afdeling vangnet gecreëerd. Op deze afdeling werken vijf mensen. Zij hebben de bevoegdheden om in bepaalde situaties de knoop door te hakken bij de keuzes waar de wijkteams tegenaan lopen. Ze kunnen dus bestaand beleid overrulen. Alles in dienst van de vraag van de bewoners en in het licht van de voortgang van de aanpak van de problemen. Je ziet hierin een duidelijk leereffect ontstaan, dat wijkteams bepaalde vragen een volgende keer niet meer stellen. Daarnaast hebben we een maatwerkbudget ingesteld. Dat is in te zetten met één opdracht: ter voorkoming van armoede. Wijkteams hanteren bij het gebruiken van dit maatwerkbudget hun gezond verstand. Natuurlijk moet een leidinggevende wel een handtekening zetten. Dit budget is een hele belangrijke stap geweest en heeft gezorgd voor veel ruimte en dynamiek bij de wijkteams. Natuurlijk was er een angst dat dit budget te gemakkelijk zou worden ingezet, maar tot nu toe is er gewerkt met leningen en tegenprestaties.”

Een centrale term op de conferentie rond de City Deal vandaag is ‘ongelijke gevallen, ongelijke behandeling’. Kunt u dat wat toelichten?

“In Nederland hebben we van oudsher een systeem van rechtsgelijkheid. Gelijke monniken, gelijke kappen. Nu stellen wij de vraag: is alles wel gelijk? Is het misschien juist wel gerechtvaardigd om de ene cliënt een andere behandeling te geven dan de ander? Een voorbeeld wat we bij ons in Zaanstad hebben gezien is bij twee langdurig werklozen. De ene beschikt over een enorm sociaal netwerk en doet allerlei vrijwilligerswerk. De andere heeft dat niet, vereenzaamt en raakt compleet geïsoleerd. Een ander voorbeeld in Zaanstad is van twee alleenwonende vrouwen van 86 jaar. De ene woont alleen, de andere bij haar dochter. Volgens het oude systeem krijgen in beide voorbeelden de twee personen dezelfde hulp of financiële ondersteuning. Ik denk echter dat het gerechtvaardigd is dat de ene meer begeleiding krijgt dan de ander. Die cultuuromslag moeten we gaan maken in Nederland. Natuurlijk is elke situatie anders.”

Leidt dit niet juist tot meer jaloerse blikken in de samenleving als de ene persoon meer begeleiding krijgt dan de ander?

“Ja, maar dat is nu juist de cultuuromslag waar we met deze City Deal aan werken. Er is in Nederland sprake van een bepaalde schijngelijkheid. Daar moeten we vanaf. Willen we gaan voor gelijke hulp of gelijke resultaten?”

De City Deal Inclusieve Stad is behoorlijk op gang gekomen. Wat zijn nog de grootste uitdagingen de komende tijd?

“Een van de grootste uitdagingen is hoe we het vliegwiel gaande houden, en dan vooral in het denken van iedereen. En hoe gaan we ervoor zorgen dat andere organisaties daarin meegaan, zoals bijvoorbeeld de Belastingdienst. We zijn het allemaal eens dat in de praktijk schulden het meest dominant zijn in de hulpverlening. Toch kun je van alle partijen het minst makkelijk een regeling treffen met de overheid.”

De City Deal loopt tot eind 2017. Wat is het doel verder?

“Ons doel van de City Deal is dat heel veel gemeenten gaan zien dat er heel veel mogelijkheden zijn en dat wij daar slechts een begin mee hebben gemaakt. Aan hen de oproep om het stokje ook op te pakken. In het sociaal domein zijn we met deze vijf steden al langer samenaan het werk. Met deze City Deal leggen we die samenwerking meer vast, dan dat we iets nieuws verzinnen. Vanuit de G32 kijken andere steden al langer mee met ons. We koppelen dan ook regelmatig terug en de andere gemeenten pakken het ook op. Ik voorspel dat we straks dan ook minimaal 32 gemeenten hebben die zo gaan werken.”

Dit interview verscheen eerder in Agenda Stad