"Je moet bereid zijn je nek uit te steken"

Leden van de Eerste Kamer moeten over zelfstandige denkkracht beschikken, ongeacht hun politieke kleur. Zo verricht Ankie Broekers-Knol ook haar eigen ambt als voorzitter van de Eerste Kamer. “Je moet bereid zijn om je nek uit te steken en niet iets laten lopen om de lieve vrede te bewaren. Als je dat doet, wordt dat enorm op prijs gesteld."

Ankie Broekers-Knol

Hoe bent u politiek actief geworden?

“Mijn ouders waren allebei actief lid van de VVD. Aan tafel werd veel over politiek gepraat, ook de internationale politiek. In verkiezingstijd hingen grote posters van lijsttrekker Pieter Oud voor de ramen, waardoor ons huis in die tijd grotendeels verduisterd was.

Ik heb thuis heel duidelijk meegekregen dat ik mijn talenten ook ten behoeve van de maatschappij moet gebruiken. Als je iets wilt veranderen, moet je dat niet alleen op een borrel roepen, maar bereid zijn om je in te zetten. Ben je het ergens niet mee eens, dóe er dan wat aan. Daarom besloot ik me voor de VVD verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad van Bloemendaal.”

Hoe kon u in de gemeenteraad het verschil maken?

“Dat was ook precies de vraag die de selectiecommissie me voorlegde toen ik was voorgedragen als kandidaat voor de Eerste Kamer. Ik had me niet voorbereid op die vraag, maar wist het meteen. Ik heb in de gemeenteraad als liberaal eens een vurig pleidooi gehouden voor het behoud van de subsidie voor het godsdienstonderwijs. Zonder kennis van de Bijbel kun je onze cultuur, bouwwerken en literatuur niet begrijpen. Daarom is godsdienstonderwijs belangrijk. De subsidie bleef gehandhaafd.

Daarnaast hadden we in onze gemeente een buitenplaats die door bouwplannen helemaal aangetast zou worden. Samen met een ander fractielid was ik het hier niet mee eens. Wij kregen de ruimte om tegen het voorstel te stemmen. Die ruimte is er bij onze partij, mits er vanzelfsprekend goede argumenten voor worden aangedragen. Die bouwplannen zijn toen niet doorgegaan. Nog steeds ben ik daar heel blij om.”

Hoe bent u in de Eerste Kamer terecht gekomen?

“Bij een afdelingsvergadering meldde de voorzitter terloops dat er nog kandidaten aangemeld konden worden voor de Eerste Kamer. Ik had me nog nooit ergens voor aangemeld, maar op dat moment stak ik spontaan mijn vinger in de lucht. Ik voerde aan dat ik jurist ben en politieke ervaring heb. Iedereen vond het een goed idee. Zo is mijn naam doorgegeven aan de selectiecommissie.”

Wat komt er kijken bij het werk van een senator?

“Eerste Kamerleden hebben geen persoonlijke assistenten of beleidsmedewerkers, dus ieder lid doet het Kamerwerk allemaal zelf. Dat is best veel werk, maar daardoor hebben de leden de wetten wel helemaal in de vingers. Als de Tweede Kamer een wet heeft aangenomen is de Eerste Kamer vervolgens de enige instantie die het eindresultaat beoordeelt, met eventuele amendementen en nota's van wijziging. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat amendementen in strijd met internationale wet- en regelgeving blijken te zijn.

Wij willen echt antwoorden hebben op onze vragen aan de bewindslieden. Eerste Kamerleden hebben meer de gelegenheid om in alle rust wetten te beoordelen; de Eerste Kamer wordt minder beheerst door de dagelijkse politieke dynamiek.”

Wat is de kracht van de Eerste Kamer?

“In de Eerste Kamer kijken we allemaal kritisch naar het effect van de wetgeving en stellen we via schriftelijke rondes zoveel mogelijk vragen. Het doel is om alles zoveel mogelijk helder te krijgen over de wet. Daar gaan de leden serieus mee om. Er worden bijvoorbeeld vragen gesteld over de betekenis van het woord ‘redelijk’ in de context van de wet. Als een rechter er later op teruggrijpt, moet hij een leidraad hebben voor de uitleg die hij er aan moet geven.

In de eerste schriftelijke ronde krijgen we vaak ‘met-een-kluitje-in-het-riet-antwoorden’. Zo noemen we antwoorden waar we eigenlijk niet veel wijzer van worden. Dan vragen de leden door met het oog op rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Zo heb ik ooit tegen de Tabakswet gestemd. Ik heb nog nooit gerookt, dus daar had het niets mee te maken. Maar in kleine cafés met slechts één eigenaar was de wet volgens mij niet te handhaven. Daar kreeg ik later gelijk in, want dit bleek uiteindelijk een nogal groot probleem. Gelukkig is dit inmiddels opgelost.”

Hoe geeft u inhoud aan uw rol als voorzitter van de Eerste Kamer?

“Als voorzitter werk ik officieel tweeënhalve dag, maar mijn werkweek is doorgaans minimaal veertig uur. Mijn functie brengt met zich dat ik ook lezingen houd, ambassadeurs ontvang en allerlei bijeenkomsten bezoek. Ik doe het met plezier en probeer mezelf te blijven. Je moet vooral niet denken dat je belangrijk bent als je hier zit.

Als het nodig is ben ik nogal direct en zeg ik waar ik het niet mee eens ben. Mijn ervaring is dat mensen het waarderen als je je uitspreekt. Je moet iets niet laten lopen om de lieve vrede te bewaren. Daarvoor moet je wel stevig in je schoenen staan.”

Wat betekent uw politieke werk voor uw privéleven?

“Ik combineerde mijn raadswerk en later mijn werk als lid van de Eerste Kamer met een fulltime baan bij de Universiteit Leiden. Ik verdiepte me ’s avonds en in de weekends in de stukken in plaats van televisie te kijken. Op zondag zat ik regelmatig van half tien ’s ochtends tot ’s avonds laat achter mijn bureau.

Je moet wel een partner hebben die daarmee kan leven. Mijn ervaring is dat mensen die veel activiteiten hebben, vaak enorm goed kunnen organiseren. Een klusje op de school van de kinderen pakken ze er ook nog even bij.”

Hoe vertelt u over het werk van de Eerste Kamer?

“Ik ben overal open over, behalve over de gesprekken met de koning. Als ik op zaterdag boodschappen doe, word ik vaak staande gehouden over pensioenen, of problemen van gehandicapten. Daar moet je tijd voor nemen.

Mijn groenteman was wanhopig, omdat hij nergens antwoord kreeg op zijn vragen over het persoonsgebonden budget van zijn moeder. ‘U kent toch staatssecretaris Martin van Rijn’, zei hij. Ik heb Van Rijn daar inderdaad over aangesproken. Zijn politiek assistent nam direct contact op met de groenteman. Binnen een week was alles geregeld.

Ik vind het heel belangrijk dat volksvertegenwoordigers goed bereikbaar en direct aanspreekbaar zijn. Daarom heb ik geen geheim telefoonnummer. De overheid schakelt steeds meer over op digitale dienstverlening, maar er zijn veel mensen die daar moeite mee hebben en graag met iemand persoonlijk contact zouden hebben. Die onvrede schuiven ze bij politici in de schoenen. Ik denk dat de Brexit voortvloeit uit onder meer dit soort gevoelens.

Het is naar mijn mening ongelooflijk belangrijk dat de overheid persoonlijk benaderbaar is, van de belastingdienst tot het UWV. Doe je dat niet, dan hou je iedereen op afstand. Het wordt dan lastig om als overheid van burgers te vragen dat ze bijvoorbeeld voor hun zieke buurvrouw zorgen.”

Waar bent u trots op?

“De Eerste Kamer vindt elke keer wegen om de wetgeving er zo goed mogelijk doorheen te krijgen. Ongeacht de politieke kleur staan we hier allemaal voor kwalitatief goede wetgeving. De Eerste Kamer heeft vetorecht, maar daar wordt bijna nooit gebruik van gemaakt.  Zaken waar we niet tevreden over zijn, vragen we bijvoorbeeld te herstellen via een reparatiewet. Ik ben ook trots op de collegialiteit in deze Kamer.

Een goed lid van de Eerste Kamer beschikt over zelfstandige denkkracht en is bereid er een andere opvatting op na te houden als de bewindspersoon van zijn partij. Het is ook goed dat we een flink aantal juristen hebben, die heel fijnmazig kijkt naar het woordgebruik. Als  in de wet staat dat iets ‘ook’ strafbaar is, dan moet uit de tekst wel blijken wat er dan nog meer strafbaar is.”

Wat vertelt u over uw ambt aan jonge mensen?

“Ik vertel dat politiek heel belangrijk is, maar vooral ook leuk. In mijn studententijd ging ik samen met partijgenoten in het donker op pad om verkiezingsposters te plakken. We moesten er een laag vieze plaksel op smeren en vielen dan bijna van een wankel trapje af. Daar kregen we de slappe lach van. Je moet er wel een beetje lol in hebben! Ik ben een optimistisch mens en kom graag met een relativerende "noot", zodat het luchtig blijft.

Als ik mijn verhaal vertel, hoor ik vaak: wat goed dat de Eerste Kamer er is. Maar je moet wel eerst lid worden van een politieke partij; zo werkt ons huidige systeem. Van de 100 standpunten van een partij ben je het misschien maar met 60 of 70 punten eens. Die overige 30 tot 40 punten moet je van binnenuit zien te veranderen. Laat je daar niet door afschrikken, juist de discussie is waardevol en belangrijk.”